https://www.overholland.ac/index.php/overholland/issue/feed OverHolland 2020-09-01T10:37:36+02:00 Frank van der Hoeven info@openaccess.ac Open Journal Systems <p>OverHolland onderzoekt de samenhang tussen&nbsp;architectonische interventies en stedelijke transformatie, waarbij de Hollandse stad centraal staat.</p> https://www.overholland.ac/index.php/overholland/article/view/222 Architectuur van projecten op basis van Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO) 2020-09-01T10:34:26+02:00 Endry van Velzen noreply@tudelft.nl <p>Jarenlang kwam het leeuwendeel van de woningproductie in Nederland tot stand via grootschalige gebiedsontwikkeling met PPS (Publiek-Private Samenwerking)-constructies tussen gemeente, woningcorporaties en grote marktpartijen. Deze manier van werken kwam na 2008 grotendeels tot stilstand. PPS-constructies werden ontmanteld, bouw- en ontwikkelbedrijven hebben hun bedrijfsmodellen ingrijpend moeten aanpassen en woningcorporaties zijn sterk aan banden gelegd.&nbsp;</p> <p>In de luwte van de crisis ontstond langzamerhand een andere praktijk. Projecten werden kleiner om risico’s te beperken. De diversiteit aan initiatiefnemers nam toe. Naast grote marktpartijen wilden ook kleine beleggers, lokale bouwbedrijven en (groepen) particulieren investeren in de stad door de ontwikkeling en bouw van kleinschalige woonprojecten. Gemeentelijke diensten en stadsbesturen keken welwillend naar deze verbreding van initiatief, omdat daarmee toch nog enige productie viel te realiseren.<span class="Apple-converted-space">&nbsp;</span></p> <p>Nu de bouw- en vastgoedmarkt na de depressie in een manische periode is beland, lijkt de prille praktijk van diverse, kleinschalige projecten te worden gesmoord in de retoriek van grootschalige productie. Het devies is ‘terug naar normaal’. Toch zou de stad erbij gebaat zijn als ze naast grote projecten ook kleinschalige ontwikkeling blijft stimuleren.<span class="Apple-converted-space">&nbsp;</span></p> 2019-11-26T00:00:00+01:00 Copyright (c) 2019 Endry van Velzen https://www.overholland.ac/index.php/overholland/article/view/223 Over de stad en de kleine korrel 2020-09-01T10:34:07+02:00 Like Bijlsma noreply@tudelft.nl Eireen Schreurs noreply@tudelft.nl <p>Welke bijdrage levert het collectieve woongebouw aan de stad, of zou het kunnen leveren? Voor de beantwoording van deze vraag vertrekken we vanuit de publicatie <em>De tussenmaat. Een handboek voor het collectieve woongebouw </em>uit 2006 en vergelijken de uitgangspunten van deze studie met die van het in 2017 opgeleverde bouwproject ‘Hooidrift’ in Rotterdam. Beide hebben als onderwerp de kleine korrel in de stad, met een ‘tussenmaat’, die tussen die van het enkele huis en het bouwblok in ligt. Op het eerste gezicht hebben deze projecten niet veel met elkaar gemeen. Vanuit de theoretische invalshoek van <em>De tussenmaat </em>wordt het collectieve woongebouw er beschreven als een typologie die bemiddelt tussen architectuur en stedenbouw, terwijl Hooidrift, een bouwproject met een collectief als opdrachtgever, een rij woningen behelst, typologisch gezien dus geen collectief woongebouw. Toch is het interessant beide projecten te vergelijken, en wel vanuit de vraag op welke wijze een collectieve agenda architectonisch vertaald kan worden en hoe deze in verhouding staat tot de stad. Welke architectonische middelen worden ingezet en wat is de rol van de architect?&nbsp;</p> 2019-11-26T00:00:00+01:00 Copyright (c) 2019 Like Bijlsma, Eireen Schreurs https://www.overholland.ac/index.php/overholland/article/view/224 Tessenow’s interieurperspectieven en onze drang om maquettes te maken 2020-09-01T10:37:36+02:00 Jurjen Zeinstra noreply@tudelft.nl <p>Op de tentoonstelling ‘Learning by Models’ in het voorjaar van 2018 in de Faculteit Bouwkunde van de TU Delft waren een aantal maquettes te zien van verschillende projecten van de architect Heinrich Tessenow (1876-1950), die gemaakt waren binnen drie architectuuropleidingen, te weten de Academie van Bouwkunst te Maastricht, de Accademia di architettura in Mendrisio en de Faculteit Bouwkunde in Delft. De verschillen tussen deze maquettes maakten de verscheidenheid inzichtelijk waarmee in het huidige architectuuronderwijs het oeuvre van Tessenow wordt benaderd. Ter afsluiting van de tentoonstelling werd een symposium gehouden, waar docenten, architectuurhistorici en architecten hun opvattingen en ideeën over Tessenow konden delen en ook spraken over zijn relevantie voor de hedendaagse architectuur. Deze tekst was een van de bijdragen.&nbsp;</p> 2019-11-26T00:00:00+01:00 Copyright (c) 2019 Jurjen Zeinstra https://www.overholland.ac/index.php/overholland/article/view/216 Redactioneel 2020-08-30T22:23:43+02:00 Henk Engel noreply@tudelft.nl Esther Gramsbergen noreply@tudelft.nl Reinout Rutte noreply@tudelft.nl Otto Diesfeldt noreply@tudelft.nl Iskandar Pane noreply@tudelft.nl <p>In OverHolland 20 wordt de toekomstige ontwikkeling van Amsterdam vanuit verschillende perspectieven belicht. De gemeente Amsterdam, beroemd om haar uitbreidingsplannen, zet sinds 2016 volop in op verdichting. Als onderdeel van haar visie op de ontwikkeling van een leefbare stad (circulaire economie, gezondheid) beoogt de gemeente Amsterdam met het programma Koers 2025 – Ruimte voor de stad een verdichting met minstens 50.000 woningen. Het merendeel daarvan zal gerealiseerd moeten worden in de ‘Ring-zone’: het gebied tussen de voor- en naoorlogse stad langs de A10, Ringspoorbaan en IJ-oevers. Dit gebied moet zich de komende jaren ontwikkelen tot ‘verbinder tussen het centrum en de stadsdelen buiten de ring en toegangspoort tot de stad vanuit de regio’.</p> <p>Wat moeten we ons bij een dergelijk voornemen voorstellen? Dat is de vraag die centraal stond in ‘AMS Mid-City’ – imagining Amsterdam in 2050, de afstudeerstudio onder leiding van professor Kees Kaan aan de Faculteit Bouwkunde van de TU Delft, die in samenwerking met het ‘Amsterdam Institute for Advanced Metropolitan Solutions’ (AMS) voor een aantal locaties in Amsterdam de mogelijke resultaten van dit programma in beeld heeft gebracht. OverHolland 20 opent met een selectie van vier projecten, ingeleid door Ruud Brouwers.</p> <p>Manuela Triggianese en Roberto Cavallo zetten vervolgens alle beleidsvoornemens op een rij met betrekking tot de stationslocaties in Amsterdam, met name de stations langs de Ring-spoorweg die van belang zijn voor de verdere ontwikkeling van de Ringzone. Behalve voor Station Amsterdam Zuid zijn er echter nauwelijks concrete plannen voor gebiedsontwikkeling rond deze stations. Dat doet het ergste vrezen voor wat Koers 2025 uiteindelijk zal opleveren. Voor een zorgvuldige planvorming is het inmiddels kort dag.</p> <p>Of beloftes waar worden en ook dan nog gewenst, blijft sowieso de vraag. De toekomst gevat in getallen, woorden en beelden geeft aan leiding tot debat en mogelijke alternatieven. Hoe deed men dit eerder in Amsterdam? Het team van ‘Randstad Holland in kaart’ – Esther Gramsbergen, Otto Diesfeldt en Iskandar Pané – waarvan regelmatig studies in OverHolland verschijnen, brengt de ruimtelijke ontwikkeling van Amsterdam in beeld met twee series kaarten. De eerste serie brengt de ontwikkeling van het bebouwde stedelijke gebied van Amsterdam voor de jaren 1850, 1910, 1940, 1970, 2000 en 2030 in beeld, met daarin aangegeven de woon- en werkgebieden en de belangrijkste infrastructuurelementen: water-, spoor- en autowegen, tram- en metrolijnen, en stationslocaties. In het verwachte kaartbeeld van 2030 zijn naast de stand van zaken in 2015 de nieuwe bouwlocaties uit Koers 2025 geprojecteerd.</p> <p>De tweede serie kaarten brengt voor dezelfde jaren de locatie van de belangrijkste stedelijke instellingen en hun verplaatsingen in beeld. Deze serie geeft een indruk van de manier waarop het proces van cityvorming tot nu toe gestalte heeft gekregen. Het gaat daarbij met name om wat mr. J.J. van der Velde in Stadsontwikkeling van Amsterdam (1968) ‘centrale instellingen’ noemde, ‘ten dienste van de bevolking van de gehele stad en zelfs van het land’, die volgens de auteur ‘samen met winkels, handelszaken en kantoren, (...) door hun aard en karakter in het centrum van de stad thuis horen.’</p> <p>Ter inleiding op deze kaarten neemt Henk Engel in het bijzonder de lotgevallen van het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam uit de jaren dertig onder de loep. Hij vestigt de aandacht op de rol van het AUP als ‘architectonisch model’ dat ruim dertig jaar als leidraad voor de stedelijke ontwikkeling van Amsterdam heeft gediend, en vraagt zich af of zich in Koers 2025 een nieuw paradigma aandient. Als contrapunt brengt Freek Schmidt tot slot van de beschouwingen over Amsterdam, Bouwen van woning tot stad onder de aandacht, een getekende kritiek op het AUP uit de oorlogsjaren.</p> <p>Zoals gebruikelijk komen in de rubriek ‘Polemen’ onderwerpen aan bod die zich aan de waan van de dag en de hitsige praktijk van architectuur en stedenbouw onttrekken. Like Bijlsma, Eireen Schreurs (Suboffice), en Endry van Velzen (De Nijl architecten) herinneren eraan dat nog maar enkele jaren geleden, tijdens de economische crisis, stadsontwikkeling en de woningproductie in Nederland geheel op hun gat gingen. Zij vestigen de aandacht op de bijzondere praktijk van kleine woningbouwprojecten op basis van collectief particulier opdrachtgeverschap (CPO) die in die tijd, in de luwte van de crisis tot ontwikkeling is gekomen en maar al te graag door verschillende gemeenten werd omarmd om zodoende toch nog enige productie te realiseren. De unieke kwaliteiten die met deze projecten bereikt kunnen worden, pleiten ervoor deze vorm van kleinschalige projectontwikkeling met direct betrokkenen voort te zetten en te ondersteunen, ook nu de bouw- en vastgoedmarkt na de depressie weer in een manische periode is beland.</p> <p>Jurjen Zeinstra laat ons tot slot kennismaken met een vorm van architectuuronderwijs die speciaal gericht is op het zich eigen maken van het ambacht van de architect: het gebruik van tekeningen en het maken van modellen. De keuze van het oeuvre van Heinrich Tessenow is in dit verband weloverwogen. De eenvoud en subtiliteit van zijn werk heeft voor de huidige generatie studenten het effect van een shocktherapie.</p> 2019-11-26T00:00:00+01:00 Copyright (c) 2019 Henk Engel, Esther Gramsbergen, Reinout Rutte, Otto Diesfeldt, Iskandar Pane https://www.overholland.ac/index.php/overholland/article/view/217 Met architectuur de toekomst achterhalen 2020-09-01T10:36:41+02:00 Ruud Brouwers noreply@tudelft.nl <p>In het studiejaar 2017/2018 hebben bijna tachtig aankomende architecten van de Faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit Delft een beeld opgeroepen van Amsterdam in 2050. Verdeeld in acht teams is in de studio <em>AMS Mid-City – imagining Amsterdam in 2050 </em>onder leiding van Kees Kaan, professor ‘Complex Projects’, ingezoomd op delen van de stad en omgeving: Amsterdam Centraal, Overamstel, Amsterdam Zuidoost, Schipholcorridor, Sloterdijk, Zaanstad, Stadseilanden en Oud-Zuid, waarvan in weerwil van de aanduiding ‘oud’ de uitbottende Zuidas en Station Zuid deel uitmaken. Naast de teamproducties, in de vorm van onder meer goed vergelijkbare, overzichtelijke maquettes, hebben alle deelnemers een eigen project afgerond. Ter ondersteuning van het ontwerpend onderzoek werd in samenwerking met <em>Amsterdam Institute for Advanced Metropolitan Solutions </em>(AMS) een begeleidend <em>City Innovation Seminar </em>georganiseerd.<span class="Apple-converted-space">&nbsp;</span></p> 2019-11-26T00:00:00+01:00 Copyright (c) 2019 Ruud Brouwers https://www.overholland.ac/index.php/overholland/article/view/218 Het station van de toekomst 2020-09-01T10:36:18+02:00 Manuela Triggianese noreply@tudelft.nl Roberto Cavallo noreply@tudelft.nl <p>In de hedendaagse, mobiele maatschappij worden stations veel meer dan een plek waar je in en uit de trein of een ander vervoermiddel stapt. Stations worden plekken waar je werkt, zaken doet, mensen ontmoet en je ontspant. Het station verbindt niet alleen diverse vervoersmodaliteiten op verschillende niveaus (lokaal, regionaal, nationaal en internationaal), het is ook een ‘stedelijk knooppunt’ in de stad en de regio en een katalysator van de stedelijke transformaties. Vandaar dat de (her-) ontwikkeling van een station ook kansen biedt stadsgebieden nieuw leven in te blazen en hoogwaardige architectuur te introduceren. De belangrijkste doelen hierbij zijn enerzijds het bereiken van een voor elke situatie optimale mix van transportmodaliteiten en een voor de gebruiker zo soepel mogelijke aansluiting daartussen in het hele stationscomplex. Anderzijds wordt de behoefte gevoeld aan een heroverweging van het ‘intermodale’ station als stedelijk gebied, als een aantrekkelijke en leefbare omgeving die ruimte biedt aan ‘innovatieve’ ontwerpoplossingen, maar ook aan (her-) ontwikkelingsprojecten en verdichting. Dat betekent dat een hogere mate van flexibiliteit moet worden ingebouwd en antwoorden moeten worden gezocht op de vaak complexe bestuurlijke structuur binnen en buiten het stationsgebouw en zijn omgeving.&nbsp;</p> 2019-11-26T00:00:00+01:00 Copyright (c) 2019 Manuela Triggianese, Roberto Cavallo https://www.overholland.ac/index.php/overholland/article/view/219 In de marge van het AUP 2020-09-01T10:35:57+02:00 Henk Engel noreply@tudelft.nl <p>De gemeente Amsterdam, beroemd om haar uitbreidingsplannen, zet sinds 2016 volop in op verdichting. Als onderdeel van haar visie op de ontwikkeling van een leefbare stad (circulaire economie, gezondheid) beoogt de gemeente met het programma <em>Koers 2025 – Ruimte voor de stad </em>een verdichting met minstens 50.000 woningen. Het merendeel daarvan zal gerealiseerd worden in de vorm van woontorens in de ‘Ringzone’: het gebied tussen de voor- en naoorlogse stad langs de A10, de Ringspoorbaan en de IJ-oevers. Dit gebied moet zich de komende jaren ontwikkelen tot verbinder tussen het centrum en de stadsdelen buiten de ring en toegangspoort tot de stad vanuit de regio. Daarmee wordt een opmerkelijke wending gegeven aan een trend die veel eerder werd ingezet. ‘Tegenwoordig is de bestaande stad geen marginaal verschijnsel binnen een eindeloze massa van nieuwe verstedelijking. Het is omgekeerd: de nieuwe staduitbreiding is gesitueerd in de marge van de bestaande stad’, schreef Erik Pasveer in 1991. Het einde van de grootschalige stadsuitbreidingen was een feit en had de bodem weggeslagen onder de oriëntatie van architectuur en stedenbouw op ‘De Stad van Morgen’. De Bijlmer, tegenwoordig Amsterdam Zuidoost, was vanuit die optiek daar de laatste representant van. Met <em>Koers 2025 </em>echter lijkt ‘De Stad van Morgen’ in een andere gedaante weer helemaal terug van weggeweest.&nbsp;</p> 2019-11-26T00:00:00+01:00 Copyright (c) 2019 Henk Engel https://www.overholland.ac/index.php/overholland/article/view/220 Uitbreiding en centrumvorming van Amsterdam in twee kaartreeksen 2020-09-01T10:35:30+02:00 Esther Gramsbergen noreply@tudelft.nl Otto Diesfeldt noreply@tudelft.nl Iskandar Pané noreply@tudelft.nl <p>Rond 1850 ligt Amsterdam aan breed water, op een landtong omsloten door het IJ in het noorden, de Zuiderzee in het oosten en de Haarlemmermeer in het zuidwesten. De Singelgracht, aangelegd in de 17de eeuw, vormt nog de duidelijke overgang tussen stad en platteland. Hoewel de vestingwerken inmiddels geen militaire functie meer vervullen, wordt de toegang tot de stad van de landzijde nog wel gereguleerd door de stadspoorten in verband met de heffing van gemeentelijke accijnzen. Ook aan de waterzijde worden de westelijke en oostelijke haveneilanden beschermd door dokken en is de Amstel ter hoogte van het Damrak afsluitbaar. Naast de binnen de stadsgrens gelegen haven- en werkgebieden, aangeduid in grijs, valt ten westen van de stad tussen Singelgracht en Kostverloren Vaart een groot aaneengesloten werkgebied op, dat bestaat uit talrijke industriemolens.<span class="Apple-converted-space">&nbsp;</span></p> <p>In de voorafgaande decennia zijn op initiatief van het Rijk enkele grote infrastructurele werken gerealiseerd die de positie van Amsterdam als handelsstad moeten versterken. Met de aanleg van het Rijksentrepotdok (1827) aan de rand van het oostelijk havengebied krijgt Amsterdam een belastingvrije overslagplaats. De noord-zuid route over water wordt verbeterd door de aanleg van het Noord-Holland kanaal (1824) en het beter bevaarbaar maken van de Amstel (1825). Met de aanleg van de spoorwegen is er een eind gekomen aan de eeuwenlange dominantie van het vervoer over water. De eerste spoorlijn, tussen Amsterdam en Haarlem, opent in 1839, de spoorlijn Amsterdam-Utrecht in 1843. Beide lijnen eindigen net buiten de Singelgracht in kopstations.<span class="Apple-converted-space">&nbsp;</span></p> <p>De belangrijkste publieke instellingen zijn voornamelijk gelokaliseerd in het middeleeuwse deel van de stad. Aan de Dam is recentelijk een nieuw beursgebouw opgeleverd, de Beurs van Zocher. Het stadhuis op de Dam is in 1808 door koning Lodewijk Napoleon tot paleis gemaakt en dat heeft de verhuizing van de wisselbank, de rechtbank en het stadsbestuur in gang gezet. Het stadsbestuur wordt ondergebracht in het Prinsenhof, in het voormalige kloosterkwartier. Vandaar uit verhuist het Amsterdams gerechtshof in 1836 naar het Paleis voor Justitie aan de Prinsengracht.<span class="Apple-converted-space">&nbsp;</span></p> <p>De belangrijkste sociale instellingen, zoals het Burgerweeshuis en het Binnengasthuis, zijn al sinds de 17de eeuw op voormalige kloosterterreinen gevestigd, gelokaliseerd in het zuiden van het middeleeuwse stadsdeel.<span class="Apple-converted-space">&nbsp;</span></p> <p>Aan de oostzijde van de stad ligt binnen de Singelgracht het enige grote groengebied, de Plantage. Hier bevinden zich de botanische tuin (1683) en de dierentuin (1835) tussen verhuurbare tuinen, houtopslag, theetuinen en zomertheaters. Permanente bebouwing is er officieel nog niet toegestaan. Op de voormalige bolwerken zijn her en der grote instellingen verrezen, zoals de Oranje-Nassau Kazerne en de cellulaire gevangenis.<span class="Apple-converted-space">&nbsp;</span></p> 2019-11-26T00:00:00+01:00 Copyright (c) 2019 Esther Gramsbergen, Otto Diesfeldt, Iskandar Pané https://www.overholland.ac/index.php/overholland/article/view/221 Bouwen van woning tot stad 2020-09-01T10:35:05+02:00 Freek Schmidt noreply@tudelft.nl <p>Van 10 tot 18 november 1945 vond in de kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae in Amsterdam een tentoonstelling plaats die slechts een week duurde, maar in verschillende dagbladen ruim aandacht kreeg. Onderwerp was <em>Bouwen van woning tot stad</em>, ‘een plannenstudie voor woningbouw welke in de jaren 1943-1945 ten behoeve van een uit te geven boekwerk werd vervaardigd door de architecten A. Boeken, J.H.L. Giesen, A. Komter, A. Staal, K.L. Sijmons Dzn., S. van Woerden en P. Zanstra’ in opdracht van een groep van tien bouwondernemers. Het geheel van plannen werd bijeengehouden door een alternatief uitbreidingsplan: Plan ’45, ter vervanging van het in 1935 door de gemeenteraad goedgekeurde Algemeen Uitbreidingsplan (AUP). ‘In het nieuwe plan komen echter dermate gezonde en frisse ideeën naar voren, dat de Volkskrant – ondanks alle bestaande critiek – meent dit plan onder de aandacht van het publiek te moeten brengen. Vooral echter, omdat wij van oordeel zijn, dat machts- en prestige-factoren niet doorslaggevend mogen zijn voor de vraag, hoe de hoofdstad van Nederland er in het jaar 2000 zal uitzien.’ &nbsp;Arthur Staal, een van de architecten, had de pers te woord gestaan: ‘Onze plannen mogen voor velen onaanvaardbaar schijnen, maar wie durft te zeggen, dat het Plan-1935 dé oplossing is voor Amsterdam? Het aanplakken van nieuwe wijken heeft niets met stedebouwkunde te maken. [...] Er valt nog betrekkelijk weinig te bouwen, maar op het Plan-1935 wordt voortgewerkt. Zo ongemerkt wordt Amsterdam er aan vastgeklonken, totdat het straks niet anders meer kan. Wij zullen Amsterdam dan ten grave dragen – geslachtofferd als het architecturale beeld werd op de pijnbank van de wetenschappelijke becijfering.’ Op de uitnodiging voor de opening van de tentoonstelling had de gemeente bericht van verhindering gestuurd.<span class="Apple-converted-space">&nbsp;</span></p> 2019-11-26T00:00:00+01:00 Copyright (c) 2019 Freek Schmidt